Voorzieningen bij overlijden

Wanneer u overlijdt, betekent dat veel voor uw nabestaanden. Allereerst emotioneel natuurlijk. Maar ook financieel, met name voor uw partner en uw eventuele kinderen. Kunnen zij blijven wonen waar ze wonen? Hebben ze recht op een uitkering vanuit de overheid? Het is een scenario waar veel mensen liever niet over nadenken, maar toch verstandig is om te doen.

Eerste pijler: de overheid
De overheid voorziet in een voorziening als de partner komt te overlijden. Dit is vastgelegd in de Algemene Nabestaandenwet. Vaak denken mensen dat de overheid altijd in een uitkering voorziet als de partner overlijdt, maar dat is al jaren niet meer zo. De Algemene nabestaandenwet (Anw) is behoorlijk versoberd. Of iemand ook daadwerkelijk een Anw-uitkering ontvangt, hangt van een aantal factoren af.

Er is alleen aanspraak op een Anw-uitkering als:
– een ongehuwd thuiswonend kind jonger dan 18 jaar moet worden verzorgd of
– de nabestaande op de dag van overlijden van de partner voor ten minste 45% arbeidsongeschikt is.

Daarnaast geldt een inkomenstoets; eigen inkomsten uit arbeid worden gekort op de Anw-uitkering.

Inkomen boven € 789,00 per maand wordt voor 2/3 op de Anw-uitkering gekort. Verdient u dus meer dan € 2.556,57 per maand, dan krijgt u geen Anw. Uitkeringen uit werknemersverzekeringen (bijvoorbeeld WW of WIA) worden overigens volledig gekort. De maximale Anw-uitkering bedraagt voor 2018: € 15.166,00 bruto per jaar. Ook (de partners van) zelfstandig ondernemers kunnen aanspraak maken op deze overheidsvoorziening.

Tweede pijler: de werkgever
In veel pensioenregelingen is een nabestaandenvoorziening opgenomen. Bij overlijden krijgt de achterblijvende partner maandelijks een bedrag uitgekeerd. Dit partnerpensioen ontvangt hij of zij vanaf het moment van overlijden van de verzekerde werknemer. Ook bij overlijden voor de pensioendatum ontvangt de achterblijvende partner dit.

Voor en na pensioendatum
In de meeste pensioenregelingen wordt onderscheid gemaakt in het partnerpensioen bij overlijden voor of na de pensioendatum. Het partnerpensioen bij overlijden na de pensioendatum heeft vaak een opbouwkarakter. Bij verandering van baan zal de ‘spaarpot’ blijven bestaan en dus ook de aanspraak hierop.

Een partnerpensioen bij overlijden voor de pensioendatum is steeds vaker een risicoverzekering. Een risicoverzekering vervalt indien er geen premie meer wordt betaald. Dus bij uitdiensttreding zal een partnerpensioen op basis van een risicoverzekering komen te vervallen. Als er een partnerpensioen is toegezegd, is het belangrijk om te weten of dit voor of na de pensioendatum is en op basis van opbouw of risico.

Bepaald of onbepaald systeem
De partner kan meeverzekerd zijn op basis van een bepaald of onbepaald systeem. Bij een onbepaald systeem is iedere deelnemer automatisch verzekerd, pas bij overlijden wordt bepaald of er een uitkeringsgerechtigde partner is. Hierdoor is er geen risico op onderverzekering. Ook vervallen de administratieve handelingen van het aan- en afmelden van partners (en kinderen). Dit in tegenstelling tot een bepaald systeem, daarbij moet de partner (en de kinderen) aangemeld zijn voor de pensioenregeling om aanspraak te kunnen maken op een eventuele uitkering.

Wie is een partner?
Het is belangrijk om te bepalen wie de partner is. Een partner is degene met wie de werknemer is gehuwd of een geregistreerd partnerschap is aangegaan. Een gewezen partner is degene van wie de werknemer is gescheiden.

Voor een samenwonende partner geldt vaak dat er een samenlevingscontract aanwezig moet zijn. Soms is het voldoende om aan te tonen dat er sprake is van een duurzaam gezamenlijke huishouding. Daar is sprake van als beide personen voor een bepaalde periode (bijvoorbeeld 1 of 5 jaar) ingeschreven zijn op hetzelfde adres in de gemeentelijke basisadministratie. In veel pensioentoezeggingen worden aanvullende eisen gesteld aan samenwonenden. Het is daarom belangrijk om goed te kijken in het reglement wie als partner worden aangemerkt.

Wezenpensioen
Ook het wezenpensioen kan op basis van een bepaald of onbepaald systeem zijn. Bij een bepaald systeem geldt dat het belangrijk is dat kinderen zijn aangemeld in de regeling.

Het wezenpensioen komt tot uitkering als een deelnemers overlijdt. Doorgaans duurt de uitkering totdat het kind de leeftijd van 18 of 21 jaar bereikt waarbij de uitkering onder voorwaarden van studie of arbeidsongeschiktheid wordt verlengd tot 27 jaar. De hoogte is vaak 20% van het partnerpensioen.

Anw-hiaatverzekering
Omdat in de praktijk nog maar weinig nabestaanden in aanmerking komen voor de een wettelijke Anw-uitkering, biedt de Anw-hiaatverzekering extra dekking bij overlijden. Deze verzekering keert uit zonder aanvullende voorwaarden zoals bij de Anw-uitkering. De hoogte van deze verzekering is gelijk aan de Anw-uitkering (2018: € 15.166,00 bruto per jaar). De Anw-hiaatverzekering kan een onderdeel van de pensioenregeling zijn in de vorm van een verplichte of vrijwillige verzekering.

Mocht u geen (of onvoldoende) nabestaandenpensioen opbouwen in de tweede pijler, dan kunt u dit privé regelen.

Derde pijler: privé
Met een overlijdensrisicoverzekering wordt financiële zekerheid geregeld voor nabestaanden. De looptijd en hoogte van het bedrag worden vastgesteld. Bij overlijden gedurende de looptijd wordt het vastgestelde bedrag uitgekeerd. Bij overlijden na de looptijd wordt er niets uitgekeerd. Vaak is de duur en hoogte van overlijdensrisicoverzekering gekoppeld aan bepaalde vaste lasten, zoals het aflossen van de hypotheek.

De volgende nieuwsbrief zullen wij u informeren over de gevolgen van arbeidsongeschiktheid.